Korea My bicycle Guestbook
|
|
In maart en april 2006 fietste ik over Tasmanie. Dit is mijn verhaal.
Wisten jullie dat het niet veel had gescheelt of Tasmanie (Tassie), een eiland 500 km ten zuiden van Melbourne, was Nederlands geweest? Abel Tasman was de Hollander die het eiland ontdekte. Had hij iets meer z’n best gedaan dan was hij niet door de Fransen en uiteidenlijk de Engelsen eraf gegooit, had iedereen Nederlands gesproken. Dat was handig geweest. Maar misschien ook minder fun. Het Engelse Tassie is een leuk dialect. Vaak niet te begrijpen, maar dat geldt voor de Tassie’s onderling net zo goed. Ze vezinnen constant nieuwe woorden en uitdrukkingen.
Afijn, Tassie was de eerste staat van Australie waar mensen (westerlingen, laten we de vreselijke dingen die ze de aboriginals aandeden achterwegen houden) konden gaan wonen. Al vanaf eind 17e eeuw was er iets als Port Arthur, een gevangenis van Engeland. Ik heb het gezien, en L.I. (Life in Prisonent) is daar niet echt gezellig geweest. Begin 18e eeuw zijn er tal van dorpjes gestart. Nu allemaal sight seeing towns, want deze stenen huizen is hier behoorlijk een high topic. Daarna is de bevolking flink gegroeid naar bijna 500.000. Nog steeds erg weinig voor een oppervlak twee keer zo groot als Nederland. Dit merk je ook duidelijk in Hobart, de hoofdstad op het zuiden van het eiland. Slenterend door de straten lijkt het meer op een dorpje. Easy going heet dat hier. Vreemde knopen makkelijk een praatje aan (zeker als je een ligfiets hebt), en de bussinesman praat net zo makkelijk met de roadworker als met z’n bussines collega. En vanaf bovenaf de berg zie je hoeveel ruimte deze stad nog heeft om uit te breiden. Wachtend op nieuwe immigranten die erg graag willen komen, maar de government houdt ze tegen. Oneerlijk, maar het zorgt wel voor een fijne rustige sameleving.
Aankomst Tassie.jpg
Het was 6 maart 2006 toen de ferry in Devonport aanlegde. Deze ferry legt natuurlijk elke dag aan, maar het toeval was dat ik er vandaag op was. Ik fiets de ferry af, iets wat erg zalig is. Snel wurmend tussen alle auto’s die er lang niet zo snel af komen als jij. Ik zet m’n fiets tegen een picknick tafel en eet wat boterhammen Ik had nog een uur licht en was erg nieuwschierig naar de kustweg en dus fiets ik dat uurtje in oostelijk richting, naar een kerkje waarachter ik mn tent opzet. Ik was op Tasmanie!
Mijn plan was om Tassie met de klok mee rond te fietsen. Ik hoefde niet elke verste uithoek te halen (al heb er twee van de vier wel gehaald), maar gewoon eerlijk rond fietsen. Eerst naar de oostkust want deze is vrij vlak en met de bijna constante zon die er schijnt een goed begin. Dus daar ging ik, eerst pal naar het oosten, de bergen in. Hoger, hoger en hoger, tot een bepaald punt dat de vegetatie begint de veranderen. Lage struiken en kleine bomen geven plaats voor mega eucalyptus bomen, en enorme varens waar je met gemak onderdoor kan fietsen. Het gematigde tropisch regenwoud van Tassie. Ik zal het nog vaak tegenkomen, verscholen op de bergkammen of in de beschaduwde valleien. Vroeger was Tassie helemaal bedekt met dit regenwoud. Maar met de schuivende continenten werd het te droog, en nu hebben ze zich verstopt en wachten ze om weer te ontpoppen zodra het klimaat daarvoor weer geschikt is.
En dan, na een paar uur door het regenwoud gefietst te hebben kom je op een manjefiek uitzichtspunt. Onder je is een prachtige groene vallei, voornamelijk agrarisch gebied maar toch erg mooi, verderop zie je nog wat berg toppen en daartussen de oceaan want die is natuurlijk op een eiland nooit ver weg.
Met een flitsende snelheid raas ik naar beneden, fiets een halve dag door de vallei tot ik weer moet klimmen, de volgende bergkam over. Ik neem zoveel mogelijk onverharde weggetjes. Weinig (geen) verkeer, en ze brengen je naat de meest mooie plekjes, en zijn vaak ook nog korter dan de hoofdweg.
Zo kom ik langs verschillende watervallen en uitzichtspunten, tot dat de weg nog een laatste maal naar beneden gaat een veel droger gebied in, de oostkust.
Ferntree’s heten ze, of Menferns.
Blik vanuit het oerwoud de vallei in
Aanzicht in vallei
Nu is Tasmanie al makkelijk fietsen. Je hoeft weinig te regelen. Haal een gratis kaart bij de tourist office met daarop zowat alle wegen en weggetjes, plus mooie uitzichtspunten/watervals/grotten/campings/nationale parken en wat misschien nog wel de mooiste uitvinding is van dit land: de picknickplaatsen. Je ziet ze overal, met perfect groen gras, veel picknicktafels waarvan een hoop overdekt, een gratis electrische barbeque, toilets, en wat ik aan de oostkust ook vaak aantrof: douches. Koud, warm, gratis of voor een dollar. Gewoon je tent opzetten op de picknick area, en al deze luxe, gratis. Das nog wat anders dan een meter gras voor 10 euro en een half uur lopen naar de douches waar je een coin in moet gooien.
Onder andere de douches maakte het fietsen langs de oostlust erg prettig. Maar er was meer natuurlijk. Het hoogte punt was Wineglass Bay, in het Freycinet Peninsula national park. Een paar uur wandelen naar een perfecte ronde baai met een wit strand en een azuurblauwe zee. Daar moest natuurlijk in m’n blootje in gezwommen worden.
Ook pinguing seeing in Bicheno was goed. Ik had deze beesten nog nooit in het wild gezien, maar deze avond, zo rond 21 uur, kwamen ze (zoals elke avond) na een drukke dag vissen uit het water en waggelde naar hun rotsspleten waar ze in slapen. Absoluut niet bang voor de mensen die met zaklantaarns de beesten stonden aan te gapen, gewoon rustig waggelend (met vaak ook een hoop lawaai) naar hun bed.
Waarschuwings borden langs de oostkust
Wineglass bay, adembenemend mooi
De oostkust
In het zuidoosten buigt de hoofdweg naar de hoofdstad Hobart, maar ik blijf langs de kust over onverharde wegen fietsen. Dit woud hier heet “lange bomen bos”(Wielangta in het Aboriginels) en inderdaad ze zijn mega. En tussendoor de beschawduwde regenwouden en manjefieke uitzichten over de ruige rots kust met een azuur blauwe zee. Prachtig!
Ik ben zo enthousiast dat ik een schier eiland opschiet en maar doorfiets tot ik niet meer verder kan. Ik ben in Port Arthur. De voormalige gevangenis voor Engelse boeven (je hoefde maar een appel te stelen om er een te worden), maar in Australie bekender om de idioot die ik 1996 met een automatisch machinegeweer tientallen toeristen vermoorde, en er nog veel meer verwonde. Gelukkig zit hij voor L.I.
Ik slenter een paar uur door dit oude dorpje. Het meeste is in verwaarlozing geraakt en afgebroken, maar her en der staat er nog wel wat (oa de gevangenis, erg indrukwekkend) en er wordt ook herbouwt en gerenoveerd. A never ending job, geven ze zelf toe. Dan neem ik de cruise naar Hobart. Een drie uur durende tocht met maar twee andere passagiers, ook beide tourfietsers (maar meer van de credit card catergorie, daar was de prijsklasse van deze cruise ook wel naar). De zee kon wat ruig zijn, waarschuwde de kapitein ons van tevore. Nou, dat was die! Buiten de veilige haven op open zee knalde de boot bij elke golf compleet de zee uit en viel dan met een klap weer terug. Leuk voor de eerste twintig minuten, maar daarna begon ik toen wel misselijk geworden. Dit stuk zee heet dan ook toepasselijk “storm bay”, en volgens de captain was het rustig. Mijn gezicht werd echter alleen maar groener.
Gelukkiger was het dichter bij Hobart wat kalmer en had ik aandacht voor de dolfijnen die voor de boeg sprongen en de grote albatrossen die over het schip cirkelde.
In Melbourne was ik naar de vakantiebeurs gegaan. Allemaal hippe meisjes in rieten rokjes en gespierde negers in ehhh in voor mijn doen veels-te-weinig (dames zullen het misschien wel fijn gevonden hebben) die je vertellen om naar de Gold Coast van Australie te komen. Tussen al die ongein was ook een kleine stand van Tasmanie en zij hadden een grabbel ton. Nou vind ik grabbelen erg zalig, en ik mocht gratis grabbelen. Ik vis er een coupon uit: gratis overnachting twee persoons kamer in city backpackers hostel te Hobart. Die coupon kwam nu goed van pas. Na zalig gedouched te hebben (douche is na voedsel toch wel een van de belangrijkste dingen van het fietsleven) en ik de “lounche room” in kom herinner ik me weer waarom ik liever niet in hostels slaap. Al die lamzakke backpackers. Hangend voor de TV. Corn flakes voor hun avondeten. Ok, er zijn een paar goede backpackers, maar die kom je zeeer zeeer zelden in hostels als deze tegen. En dan de praat die ze met elkaar hebben. Allemaal hetzelfde. Where you from, where you heading for, how much does it cost, you should do that, blablabla. Ik ben er gelijk weer weg en ga naar Salamanca, beetje het sjieke uitgaans gelegenheidsplein in Hobart en drink lekker op m’n eigen wat pilsjes. Geen loze praat vanavond.
De volgende dag ben ik zo druk met winkelen (outdoor shops, tweede hands boeken winkels en fietsenmakers bezoek ik graag) en praatjes aan het maken dat ik er ‘s avonds nog steeds ben. Dan schiet me iets te binnen. De warm shower list for cyclist. Partikulieren die vaak ook zelf fietsen en hun gastvrijheid online op deze lijst zetten. De tweede die ik bel op de lijst is Rosie. Ze neemt op en natuurlijk kan ik komen.
Rosie en Stuart zijn een jong getrouwd stel met al twee kinderen, en plannen om er meer te krijgen. Ze wonen op de mooiste plek van Hobart. Direct onder de berg van Hobart, Mount Wellington, met een fenominaal uitzicht over de stad en de baai. Hun huis is warm en ruim en ze hebben een groot vakantiehuis ernaast staan. Compleet met huiskamer, badkamer, slaapkamer met groot twee persoobs bed en tv. En hier mocht ik slapen. Zaaaalig! Ik eet met ze samen (kangaroe vlees, de eerste keer, erg lekker) en we kletsen heel wat af over reizen en liefde. Het is een gezellige klets, ik kan het goed vinden met deze fantastische mensen.
De volgende dag fiets ik de hunonvalley in. Dit is de meest zuidelijkste gemeente van Australie en het er ziet er prachtig groen uit. Deze valley wordt ook wel “Apple Valley” genoemd, zo te zeggen het appel district van Tasmanie. Ik bel de national harvest line op en vraag voor een job. Geen appels op het moment, wel aardbeien in Cygnet. Dus ik fiets naar Cygnet, zet m’n tent in het caravanpark op en ga de volgende dag plukken. Je krijgt hier per kg betaald, ongeveer 55 eurocent per kg. Dat is niet zoveel. Als je de dag heel hard doorwerkt (van 7 tot 2) heb je misschien 40 euro. Dit haalde ik alleen de eerste dag, verder had ik niet zo heel veel zin meer en bleef ik rond de 25 euro per dag hangen.
Aardbeiden plukken is voor de meeste maar een klus bij gebrek aan beter werk, het appels plukken. Zo dus ook voor mij. Ik zocht naar een appelpluk baan maar er waren dit jaar meer plukkers in de regio dan banen beschikbaar.
De camping was reuze gezellig. Er was een hele invasie van Koreanen, en na een paar dagen at ik al vaak met hun mee en maakte we de meeste avonden een groot kampvuur. Geweldige mensen, de Koreanen, heel vriendelijk en al hadden ze geen appelplukbaan en waren ze platzak ze bleven lachen. Ook fantastische koks, ik was er in goede handen.
Naast de vriendelijke geduldige Koreanen met wie ik het zo goed kon vinden had je het schrille contrast: de Australische appelpluk binks. Vriendelijke lui, maar zo anders. Ze praten erg graag over hunzelf. Hoe later in de avond, hoe groter en luider de verhalen. Vaak waren er twee kampvuren op de camping. Ik was meestal bij het Koreaanse kampvuur omdat ik me ontspannen voelde tussen deze mensen. Maar als ik even zin had in echt dom lullen ging ik 300 meter verderop, luisteren naar andermans overdreven belevenissen.
Na een week aardbeien vind ik dan toch een appelbaan. Een kleine boerderij waar ik ‘s ochtends binnen loop en vraag voor werk. Okay, zegt de baas, ik geef je 1 dag. Totaal heb ik er 2,5 week gewerkt. Goede collega’s. Sam, die maar bleef vragen of ik naar de pub was geweest, Ben, een enthousiaste leeftijdsgenoot die net als ik een scheithekel had aan de universiteit, Chris een local uit Launceston, en Michell, de snelste plukker. Ben benieuwd hoe lang ik zou moeten plukken om hem bij te houden. Tenslotte was er nog de baas Tidsy, die net zo hard mee geinde als de rest. Een goede baas, met altijd plek voor een grapje (zoals “I’m so sorry Jan but I ran with my tractor over your bike”). Door al dit kletsen gaat m’n Engels er wel op voorruit, maar je kunt je misschien wel voorstellen dat dit niet het Engels van Engeland is. Ik leer een hoop vreemde uitdrukkingen en nieuwe woorden die ik wel kan uitspreken, maar niet kan schrijven.
Na twee weken moeten de appels kleuren en wordt er een pauze in gelast. Het weer is erg nat en veel wind, maar ik fiets naar Cockle Creek. Dit ligt 100 km ten zuiden van Cygnet en is de plek waar de meest zuidelijkste weg van Australie ophoudt. Het is een mooie dirt road dwars door een groot oerwoud. Om me heen is veel weggekapt maar er staat net zoveel nog overeind. Planten die we bij ons in de intratuin zien staan hier in het bos.
Cockle Creek, een gehucht met vier huizen en drie campings, grenst aan het grote nationale park wat zich over een enorm gebied in het westen uitstrekt en totaal 1/3 van het eiland bedekt. Er is niks anders daar dan wildernis. Ik doe een 1-daagse wandeling (je kunt er ook drie weken wandelen en niemand tegenkomen) naar de south cape. Een avontuurlijke wandeling maar een prachtig kust.
Weer terug in Cygnet krijg ik het commentaar van Michell dat ik “all the way to Cockle Creek cycled to see what rain was like”. Mij stoorde de regen me echter niet zoveel. Maar werk werd er wel vaak om afgeblazen, en omdat ik het niks vind om dan de hele middag in mijn tent (of de pub) te zijn, en de meeste appels toch al geplukt waren, besloot ik verder te gaan.
Terug naar Hobart (geen andere mogelijkheid) waar ik Rosie en Stuart weer opzoek. Ik blijf daar drie heerlijke dagen. Lekker uitrusten in het vakantiehuis, ‘s avonds met z’n allen een film kijken, veel kletsen, en voor papa oefenen. Dat wil zeggen de baby troosten als mama het even te druk heeft. Ik kook ook nog een avond, en we wandelen naar de top van Mount Wellington wat een prachtig uitzicht over de stad heeft. Als het weerbericht voor een paar dagen goed weer voorspelt pak ik m’n fiets weer en zet koers voor het laatste en zwaarste deel van de tocht: The West Coast
Andrew en Simon proberen m’n ligfiets
Chikako uit Tokyo area en Toto uit Korea. We hadden veel lol.
Simon en mijzelf. Simon was een vrolijker gozer, flink idw maar de perfecte koffie die hij zette maakte dat ruimschoots goed.
Toto krijgt les hoe je een band moet plakken. Deze sterke meid kon nog niet fietsen toen ze op Tasmanie aankwam. Toch koopt ze een fiets en campingmateriaal om de oostkust te fietsen. “You are good teacher”, she said, “You are a good student”, I said
De kust bij Cygnet
De wandeling naar de South Cape
View vanaf de clif
Ruim een meter sneeuw bovenop Mount Wellington
Mijn supervriendelijke hosts in Hobart
De eerste drie dagen naar het noorden zijn kaal. Nieuwe settelments hebben het bos
weggevaagd. Maar daarna, als de (enigste) weg naar het westen buigt en je in de
wildernis komt weet je weer waarom je in de regen, tegenwind en bergen aan het
fietsen was. Een uniek stuk wildernis (worldheritage area) hoger in de bergen dat met slechter weer constant in de wolken hangt, met alleen deze weg erdoor
heen. Ik zag een landschap om me heen dat normaal alleen voor bergbewandelaars zichtbaar zou zijn. Dankzij deze eenzame weg kon de ligfietser er nu ook van genieten. Groene dalen, watervallen, regewoud, en eindeloos hoogveen met bekrompe eucalyptus bomen erop. Het geeft een surrealistisch effect en ik vraag me af waar de elfen en de trollen wonen.
Met een klap kom ik uit deze droom in Queenstown aan. Een mijngebied. De omgeving ziet er als de maan uit. Vier miljard dollar, vertelt een bord trots, is hier al uit de grond gehaald. Omdat ik al in geen week een fatsoelijke supermarkt was tegen gekomen fiets ik mainstreet in en het is een andere mainstreet dan ik tot dusver zo gewend was van Tassie. Geen vriendelijke rilexe easy going sfeer, maar nors, en dronken geschreeuw naar mn ligfiets. Een minerstown. Ik doe mijn shopping vrij vlot en fiets verder richting Zeehan. Halverwege haalt de duisternis me echter in en zet ik m’n tent in de bush op. Hier is natuurlijk geen douche maar ook dan kan ik me wassen. Pan op de gasbrander, met een mok water over me heen gieten, nieuw water in de pan, mezelf inzepen en dan weer met warm water afspoelen en schoon de slaapzak in!
De volgende ochtend fiets ik verder en het gebeurd dat een politie auto me aanhoudt. Het is hier namelijk de wet dat een fietser een helm draagt, iets waar ik een hekel aan heb (de helm en die wet). Ik draag een helm, maar nooit op m’n hoofd. Stevig achterop m’n truck gebonden sleep ik hem mee heuvel op heuvel af. Any way, de politie auto stopt en ik denk ik krijg een boete, maar het enigste waarvoor hij stopt is om te vragen of ik in orde ben en dan ik “noten ben” om in dit weer te fietsen. Als hij verder wilt rijden krijg ik nog een snelle opmerking dat ik die helm op moet zetten, maar meer omdat hij het als politieman moet zeggen dan omdat hij het persoonlijk zo nodig vindt op deze rustige wegen.
Waar wonen de elfen en trollen?
Eucalyptus bos
De weg door de wildernis, naar Queenstown
Uitzichtspunt onderweg
Een uurtje later in Zeehan kom ik erachter dat het bijna Pasen is. Het historisch museum Zeehan dat ik wilde bezoeken is elke dag geopend, staat er op een bordje, except Good Friday. Vandaag dus.
Het begint echt te hozen en ik duik de picknick shelter in. Na vijf koppen koffie begint het wat droger te worden en ik trek m’n in Hobart gekochte raingear aan en vertrek. Het meeste desolate stuk. Ik passeer een bordje “no service next 169 km” en ik weet dat er op een veerpont in Corinna na verder niks is. Gewoon de dirt road voor me, steil naar beneden en weer omhoog, door duingebieden, regenwoud, eucalyptus bossen en uitgestrekte natuurlijke graslanden. Het stuk is officiceel ook nationaal park maar dit valt er niet aan op te merken, en staat ook niet zodanig op de kaart aangegeven. Dat komt, vertelt de vrouwelijke manager van Corinna me, omdat ze tot vorig jaar een groot probleem hadden me de veerpont in Corinna. Een vreemde man leasde het van National Park Service, maar als er iemand over wou kon het hem weinig schelen. Het enigste wat hij deed was wat illegale houtkap. De national park service had om een of andere reden veel moeite om hem weg te krijgen. En omdat toeristen vaak niet de rivier over kwamen (wat is de enigste plek om hem over te steken) hebben ze het maar van de kaart af gehaald. Nu heeft Corinna echter een nieuwe manager en worden er nieuwe cottages gebouwd in de oude stijl van de goldrush. Want vroeger toen er goud in dit deel van het woud lag, woonde hier 700 mensen. Dat is nu niet meer voor te stellen, met slechts 1 familie die de veerpont runt, de manager van het dorp en zeven vakantiewoningen.
Ik kampeer die eerste nacht van fietsen over de onverharde weg in Corinna, en heb een prettige warme douche in een van de vakantiewoningen.
De volgende dag gaat het verder. Ik probeer foto’s te maken van de burgers bush waar ik doorheen fiets, maar mijn camera is te vochtig en het geeft een wazig effect. Helaas is de temperatuur niet zoals in Burgers, boven de 12 graden was het toch echt niet. Ik passeer grote waarschuwings borden als “No mobile Phone Network” , “No service” en “Warning Desolated Area” en moet vaak uit alle macht op de trappers stampen om mijn truck (22 kg bagage, 24 kg fiets, 80 kg ikzelf, dat maakt 126 kg) de berg op te krijgen. Soms moet ik te lopen, als de helling te lang is en mijn hart te snel bloed naar mijn benen moet pompen. Het is een zwaar stuk, het zwaarste stuk dat ik tot dusver gefietst heb (had er de volgende dag zelfs spierpijn van) maar het is het waard. Prachtige natuur om me heen en ik geniet van deze inspanning.
Halverwege de dag stopt er een jeep naast me en komt er een heel groot chocolade paasei het raam uit. Daarna volgt er een nog grotere paashaas J zo zalig. We raken aan de klets. Een aardig stel uit Devonport dat 400 meter van de ferry terminal woont. Ik word uitgenodigt voor avondeten, over vijf dagen want dan verwacht ik terug in de haven te zijn. Als ze weer verder rijden maak ik m’n lunch en het is echt onvoorspelbaar wat je dan eet, dat dat in je maagd past.
Ik deed 300 gram rijst in m’n pan, een blik groente en vis.
Terwijl dit kookte at ik alle chocola op.
De rijst puilde uit de pan maar ik at het allemaal op.
Nog steeds honger, ik smeer een boterham.
En daarna nog vier.
Nog steeds honger maar het eten begint me te vervelen, ik wil verder! Ik stop nog een homp kaas in m’n mond, en een banaan in m’n fietstas dat ik onderweg nog opeuzelen kan.
Als het donker wordt zet ik op een hoger stukje m’n tent op. De laatste auto is een paar uur geleden langs gekomen, en de volgende zal ik pas na een uur fietsen de volgende dag zien. Ik was alleen. Naar het noorden was nog steeds 100 km naar Smithton, het volgende iets grotere dorp. Naar het oosten wildernis en dan logging area’s om dan tenslotte in de bevolkte midlands te komen, naar het zuiden niks anders dan wildernis, de south cape en 2500 km verder antartica, en naar het westen tien kilometer bestaand uit deze prachtige wildernis, een grotere oceaan en dan afrika. Geen wonder dat ze zeggen dat west Tasmania de schoonste lucht van deze planeet heeft.
De volgende ochtend verandert er iets aan het landschap. Ik raak uit de bergen in vlakker gebied. Een brede dirt road voor me en met een storm in de rug schiet ik met 35 km per uur over deze weg. Zo zalig. Op zulke momenten denk ik dat ik toch wel enorm veel mazzel heb dat ik ik ben, en dat ik fietsen zo zalig vind.
Schuilen in Zeehan
Burgers bush
Natuurlijke natte graslanden van de west kust
Ik kom uit de wildernis in bewoond gebied, het melk gebied van Tassie. Om me heen groene weilanden met zwart/witte koeien. Het ruikt er naar Dronten. Ik bots tegen de North Coast aan en fiets naar het oosten met nog steeds veel wind mee. Met donker ben ik in Rocky Cape National Park. Ik zet m’n tent weer op een normale picknick area. De volgende dag doe ik wat hikes door het park maar ik ben onrustig. De oostkust was heerlijk fietsen, een goede tijd gehad in Cygnet met de Koreanen en ook met de twee meiden Chikako en Toto die een beetje verliefd op me waren geen gebrek aan aandacht gehad. Tenslotte was de westkust het avontuur wat ik op wilde zoeken. Het is tijd om naar huis te gaan. Ja naar huis hoor ik mezelf zeggen tegen de buurman van wie ik water krijg, bedoelend Melbourne. Met zoveel familie daar voelt het een beetje als thuis.
Die laatste kampeer nacht op Tassie waait m’n tent bijna weg maar de volgende dag heb ik deze storm pal in de rug. Over de (voor Tassie begrippen) drukke vierbaanse weg scheur ik bijna net zo snel als de auto’s zelf naar Devonport waar ik begin van de middag aan kom. Ik zet m’n fiets tegen het zelfde tafeltje als waar ik begon en kijk op m’n km teller. Ruim 2000 km, waarvan na mijn schatting toch zeker 400 km over dirt road. Het tafeltje ziet er niet meer hetzelfde uit, het is grauw weer, bladeren vliegen in het rond. Geen nieuwsgierigheid voor dit eiland meer. Ik douche op de camping, heb een cappucino in een café en ga voor het avondeten naar Michael en Joan van wie ik zoveel lekkere chocola gekregen had. Ik eet licht bij hun want ik verwacht een ruige overtocht. En dan op 18 april, om 20 uur, neem ik de boot terug naar Melbourne.

Rode lijn is gefietste route