Korea My bicycle Guestbook
|
|
Okt 2006
Katherine – Broome
Het is bijna volle maan
en om 6pm, een half uur voor zonsondergang vertrekken Wiecher en ik
over de Victoria Highway naar Kununurra, 550 km verderop met
daartussen een roadhouse en een dorpje. Het grootste deel van de
route ligt nog in het Noordelijk territorium (NT) en dat is goed want
het NT houdt langs de highway de watertanken op peil.
We krijgen een vreemd
fietsritme. We beginnen rond 5pm als de zon wat lager staat. We
fietsen tot zonsondergang en hebben lunch, of dinner of hoe het ook
heten mag. Vervolgens joegen we nog ongeveer 70 km verder naar een
volgend restarea met watertank, dorp of roadhouse. De volle maan en
onze 2.4 volt koplampen geven voldoende licht om niet over dode
kangaroo’s te fietsen en gezien te worden door de enkele roadtrains
die ’s nachts nog voorbij razen. Bovendien kunnen we met onze
two-way radio’s op channel 40 contact krijgen met de meeste road
trains. Zo kunnen we ze waarschuwen over twee “pushbikers” die op
de highway fietsen.
Na twee dagen krijgen
we al dezelfde truckies voorbij. Deze stoere kerels rijden het stuk
Katherine - Kununurra vele jaren lang heen en weer. Twee malle
fietsers op channel 40 kan dan een leuke afleiding zijn en gezellige
praatjes zijn aan de orde van de nacht.
Het landschap verandert
enigzins: van de droge tropische bush, waar ik 700 km ten noorden van
Alice Springs in was gekomen, naar rode bergen en rivieren. Het is er
prachtig. Alsof je rond de oertijd leeft. Er zijn op deze wereld niet
heel veel desolate ruige plekken wildernis meer te vinden, en zeker
geen plekken waar ze ook Engels spreken.

Ondergaande zon 6.30pm, nog 70 km te gaan
Het fietsen ’s nachts
in deze desolate landschappen is heerlijk. Volle maan boven ons, en
dingo (=Australische wolf) gehuil in de valleien. Soms is het zelfs
een beetje angstaanjagend en dan ben ik blij dat ik via de radio even
met Wiecher kan bazelen.
Na vijf dagen komen we
in Kununurra aan. We nemen hier twee rustdagen om ons goed voor te
bereiden op de Gibb River Road. Deze weg loopt van Kununurra tot
Derby en is in 1960 aangelegd om het vee in de kimberley op te halen.
De weg is bij avonturisten ook erg in: in de winter rijden hier tot
200 utes met offroad caravans per dag over, allemaal op expeditie.
Het is nu echter oktober en de temperaturen komen tot boven de 40
graden. De regen hangt in de lucht maar valt nog net niet, soms ook
net wel. De toeristen zijn weg, en op misschien tien auto’s per dag
(die we ook nodig hebben om ons watervoorraad op peil te houden) na
hebben we de weg voor ons zelf. Nog 50 km verhard en we slaan
linksaf, voor 650 km zand en carrigatie met daartussen vier stations
(boerderijen), een roadhouse dat dicht blijkt te zijn en een
aboriginal gemeenschap.

Begin van de Gibb River
De volgende ochtend
gebeuren er binnen acht km twee ongelooflijke dingen. De eerste is
een automobilist die in tegenstelde richting aan komt rijden. Hij
gaat langzamer rijden, draait zijn raam open en zegt: “You’re
totally mad”. Hij wacht geen antwoord af maar draait zijn raam weer
dicht en rijdt verder. Het zelfde overkomt Wiecher, die 500 meter
achter me fietst. En dan, op 8 km, rag ik m’n truck over een
scherpe steen en krijg een stootlek. Australiers die hoorde dat we de
Gibb wilden fietsen hadden al zovaak lachend gevraagd hoeveel reserve
banden we bij ons hadden. Mijn antwoord was altijd dat we om de
grotere en scherpe stenen heen kunnen fietsen, iets wat voor auto’s
lastiger is. Maar, dan moet ik dat natuurlijk wel doen. Het zal wel
gebrek aan ervaring zijn dat ik in deze flitsende afdaling recht over
de steen heen fiets. Ik vraag me af hoeveel lekke banden ik nog zal
krijgen. 650 gedeeld door 8 zijn 81 lekke banden, en nu heb ik nog
maar 1 reserve band over.. gelukkig is het bij deze ene stootlek
gebleven.
De weg is van goede kwaliteit tot de eerste rivier
crossing. De rivier, de Pentacross river, is niet diep maar wel
breed. Er staat een waarschuwings bord “in geen geval te zwemmen”
ivm de zoutwater krokodillen die in de rivier leven. Dat geeft wel
wat twijfels. Zullen we deze rivier wadend doorsteken? Durven we dat,
vraag ik aan Wigi. Het moet zegt hij. Het kan wel twee dagen duren
tot er een auto langs komt die plaats heeft voor onze fietsen.
Dan komt er een
roestige landrover aan. Een local, dat is duidelijk. Hij stopt en ik
vraag hem of het veilig is de rivier over te steken.
“Yeah you’ll be fine”
“How about the crocodiles?”
Well yeah there are a few but don’t worry about them”
“Salties?”
“Yeah Salties and Sweeties, but as I said don’t worry about them, there’re much more in the summer”
Met deze geruststelling waden we de rivier door. En we worden niet opgegeten.

Pentacross
river crossing
We houden het voor
gezien bij het tweede station. Dit station biedt voor 10 dollar een
kampeerplek aan, er is zelfs een klein zwembadje. Later in de
namiddag begint het te hozen. Zomaar uit het niets. Het is de eerste
regen van het seizoen.
De volgende ochtend maken we een grote
fout. We slapen uit en vertrekken pas om 8 uur. De temperatuur is al
ruim 35 graden en gelijk als we weer rechtsaf de Gibb opdraaien
moeten we klimmen, klimmen en klimmen. Onder ons zien we de
Pentacross river door de bush kronkelen en berg ketsens erom heen.
Een prachtig gezicht, maar zwaar is het! Dit is niet zomaar 10%
stijgingspercentage als op een Europese pas. Soms lijkt het recht
omhoog te gaan en we moeten onze fietsen omhoog zeulen. Ook het zand
met carrigatie maakt het er niet sneller op. Het zweet giet van ons
hoofd. We drinken zo’n twee liter water per uur zeulen. Om 11am is
er een goede schaduw plek. We hebben nog maar 12 km afgelegt en
willen verder. Weer een fout die dag.
Om 14pm ploffen we neer.
Dood op. De lucht is een grote sauna. Maar er is geen goede schaduw.
We wachten die middag onder drie blaadjes schaduw tot het wat koeler
wordt. Twee trucks die diesel en levensmiddelen naar desolate oorden
brengen stoppen en geven ons koel water. Zo zalig!
We praten de uren wachten weg. We praten over teruggaan. Ja we gaan terug zeggen we. Dit is geen fun. Wachten in de brandende zon, en dat nog, op z’n minst, acht dagen lang? Om 4pm klagen we nog steeds. We besluiten terug te gaan. We pakken de spullen en draaien zonder nog een woord tegen elkaar te zeggen westwaarts de Gibb op, westwaarts naar Broome.
Deze fout zullen we niet nog eens maken. Voortaan is het vroeg vertrekken (rond 4 am), en om 9am stoppen op een zo goed mogelijke plek. Dan een lange siesta tot rond 2 pm, en weer verder tot zonsondergang 5pm.
Maar wiens schuld was dit nou? Dan moet ik misschien iets van onze humor-onderweg uitleggen. Wiecher en ik noemen elkaar niet bij onze namen. We noemen elkaar Herman. Altijd en consequent (soms best lastig voor mede kampeerders, zijn gaan echt denken dat we Herman heten). Als er iets zoals dit gebeurd dan is de vraag, wie sliep er te lang door vanochtend? Wie maakte de ander niet wakker? Het was Herman.

Uitzicht tweede dag Gibb tijdens de klim
De volgende ochtend
fietsen we maar 50 km. De weg is erg slecht. We rusten onder een boom
op de door wildvuren verkoolde bodem. We stoppen bij de volgende
boerderij waar we weer voor een paar dollar kunnen kamperen. Er is
een op hout gestookte warme douche en na een zwempartij (waar
volgende de boeren alleen de relatief ongevaarlijke soort Sweeties,
zoetwater krokodil, in zit) en een hete douche een goed maal van
Noodles.
We nemen de
ochtendvrij. Lachend zeggen we ‘Herman en Herman zijn op een ruige
expeditie, en wat doen ze? Ze zitten lui onderuit gezakt op royale
stoelen”. Maar in de namiddag koersen we weer westwaarts. We
kamperen in een soort mijnpit waar ze het materiaal voor de Gibb
wegscheppen. Dit soort plekken zijn fijner en ook overzichtelijker
(in het kader van de doods-doods-doods-gouden-adders waar je op kan
gaan staan als je in de warme nachten moet gaan plassen) dan in het
dorre hoge gras. Kamperen is altijd zalig. Tentjes opzetten (Herman
en Herman delen veel, maar niet hun tent), vuurtje maken en koken
(Noodles of course) en daarna veel thee. Ja in thee zetten is Herman
erg goed. We bazelen over van alles en niks totdat we moe omrollen.
De volgende middag
hebben we wel een hele slechte siesta plek. Weinig schaduw, wat
uitgedroogd koeieflatsen en heel veel vliegen. Zwaar geirriteerd
fietst eerst Herman maar later ook Herman weer verder. De Hermannen
hebben geluk: het wordt bewolkt. Dat betekent dat we door kunnen
fietsen, en een siesta in het stof en tussen de vliegen over kunnen
slaan. We leggen een goede afstand af van 95 km (ruim 8 uur trappen)
en kamperen aan de uitgedroogde Hann River.
Ja en dan naar het
Roadhouse! Lekkere friet, zalige hamburgers, en een airco! Maar onze
droom valt in duigen als er een een overenthousiaste tourbus stopt en
vraagt of we in orde zijn. Het roadhouse is dicht, zeggen ze. Dicht?
Ja het is zondag vandaag. We arriveren voor de middag bij het
Roadhouse, tussen veel aborginal kids die onze namen niet kunnen
uitspreken. We worden Vikie en Jam. Gelukkig blijven ze niet de hele
siesta lang. Het zijn vrolijke jochies maar o zo vermoeiend.
De temperatuur bij het Roadhouse
We zijn niet de enigste
die hier stranden vandaag. Al is onze refill hamburgers niet
noodzakelijk, voor auto’s is diesel of benzine dat wel. “Er is
een camping waar je kunt kamperen” zegt de roadhouse eigenaar, “kom
morgen dan maar terug”. Een echte rippoff want de camping is op
Adelaide city camping na de duurste die ik tot nu toe heb getroffen.
Sommige auto’s rijden boos met slippende banden weer weg,
waarschijnlijk om ergens wild te kamperen. Auto’s op diesel hebben
wat meer geluk: een aboriginal gemeenschap 90 km verderop verkoopt
ook diesel.
Van een Duits echtpaar
krijgen we sinasappels, vers brood, veel ham, en koekjes vrolijk
ingepakt zoals je ze in de klas uitdeeld als je klein en jarig bent.
Heerlijk! Met een volle buik fietsen we dan weer verder, naar een
volgende mijnpit. Deze mijnpit heeft een grote boomstam die die avond
als sofa dient.
Een paar algemende dingen over de Gibb:
Er zijn heel veel
sprinkhanen die ook heel veel lawaai maken. Als je alleen de Europese
soort kent (of alleen de soort die in Victoria voorkomt voor de
Nederlands Australische lezers) kun je je niet voorstellen HOEVEEL
herrie deze insecten maken. Het is letterlijk OORVERDOVEND. Bij het
roadhouse aan de picknicktafel heb ik m’n oordoptjes in gehad.
Tijdens het fietsen is dat minder fijn, en ‘s avonds tuten je oren
ervan.
We konden per persoon
ruim 15 liter water meenemen. Dit was genoeg voor 9 liter drinken, 1
koken, 2 wassen en ½ afwassen. Dan hadden we nog een paar
liter over voor de volgende ochtend , en dan moesten we weer een auto
stoppen om water bij te tanken. Fles omhoog, en de auto stopte.
Locals hadden nooit water mee, althans niet voldoende om uit te
delen. Maar de toeristen zeulen hele watertanks van 150 liter mee.
Die konden wel 35 liter missen.

Water bijvullen
onderweg
Iets anders
opvallends waren de weinige auto’s die stopte om te vragen of we OK
waren. Twee keer een truck, en de tourbus gister. Je kunt aan de kant
van de weg staan, met je achterwiel uit je fiets en je fietsketting
om je nek. Auto’s scheuren voorbij, beetje zwaaiend stofwolken
achterlatend. Herman kwam tot een geniale uitleg hierover: deze
mensen huren een 4wd en gaan op expeditie! Ze gaan de Gibb afrijden
en daar zijn ze trots op. Maar als ze ons zien, beseffen ze dat niet
op expeditie zijn. Nee, die jongemannen, die zijn pas op expeditie!
Daar gaat hun trots, door die rotzakken die het zo nodig moeten
fietsen..
Dan is er nog iets
anders: in de uren wachten in het heetst van de dag schrijf ik graag
brieven naar Toto, maar hoe verstuur ik ze? In de 650 km is er geen
enkele brievenbus. Er komt al snel een oplossing: ik stop een auto,
niet met een fles die ik omhoog hou, maar met een gefrankeerde
envelop en vraag of ze deze “in town” 300 km verderop voor me
willen posten. Natuurlijk, zeggen ze, en Toto heeft daadwerkelijk ook
al mijn brieven gekregen.
De volgende ochtend is
een riante rit over een goede kwaliteit dirt road naar Imintjo
aboriginal gemeenschap. We kopen wat vers eten en brengen de
middagpauze op het terras door. Halvewege de dag horen we hart
geroep: Vikie, Jam!!! Vrolijk gezwaai uit een passerend mini busje.
Hun vakantie is voorbij, ze gaan terug naar Derby.
Het is
opvallend hoe meningen over de schoonheid van een locatie kunnen
verschillen. Een paar maanden terug had iemand mij vertelt dat als je
de Mataranka hot springs had gezien, je dan niet meer naar de Douglas
hot springs zou hoeven. Ik heb ze allebei gezien en ze zijn beide zo
anders en beide prachtig, je kunt ze niet vergelijken. Bij Imintjo is
een mevrouw die ons uitlegt hoe we op een mooie kampeerplek kunnen
komen, 20 km hier vandaan aan de Gibb. Je kunt er heerlijk zwemmen,
legt ze uit, en je bent omringt bij tropische planten. Daar
aangekomen treffen we een algenpoel aan met inderdaad tropische
planten die het lastig maken in het water te komen. Daarnaast ligt er
ook rottende vis op de grond en stikt het van de muggen. We gaan maar
verder, gewoon naar een vertrouwde mijnpit.
De volgende dag gaat
het over de King Leopold Ranges. Wat klimwerk, maar niet zo
verschrikkelijk zwaar als op de tweede Gibb dag. Manjefieke
uitzichten zijn er wel en een lange afdaling door een rivierdal.
Boven de ranges blijft het bewolkt, maar in de laagte ten westen
ervan losse de wolken op. Het laatste uurtje is heet door de hitte
fietsen, maar we willen naar de ijsco man! Yeah, er is hier een
Einselgaenger die in de middle of knowhere ijsjes verkoopt. Zo zalig!
We vragen aan de ijsco man of het safe is ons te wassen in de rivier
onder ons. Hij vertelt ons dat hij vandaag zes krokodillen heeft
gezien, maar allemaal van de zoetwater variant. Zolang je ze niet
opjaagd zul je wel OK zijn. Staand in de rivier met een stuk zeep is
het enigste wat ons bijt de vele kreeften die in de modder leven.
Om 5pm jagen we weer
door. We stoppen een auto voor water, krijgen naast water ook cola
yogurt en een meloen. Weer van Duitsers, misschien moet ik mijn
mening over de Duitsers toch wat bijstellen. Uit beleefdheid vragen
we niet voor nog meer water, al weten we dat we nog niet genoeg
hebben. Het wordt donker, het is nog 80 km naar Derby. We jagen door.
“We kunnen ervoor middernacht zijn!”, roept Herman naar Herman.
Het water gaat hard op want het is nog steeds heet. Dan rond 8 pm
komt er een road train aan, en op channel 40 vraag ik of hij kan
stoppen om ons water te geven. Dat doet hij, maar hij verklaart ons
wel voor gek dat we rond dit tijdstip met onvoldoende water in dit
soort desolate oorden fietsen. Ja, gelijk heeft hij.
Dan zet iemand een
straffe zeewind aan, recht tegen en we zijn gedwongen 55 km voor
Derby in de bush te kamperen.

Creekcrossing
vlakbij Imintjo gemeenschap: we hebben hier zeker 100 maal
doorgejaagd
De laatste 55 km de volgende ochtend zijn veel
heuvelop met tegenwind en saai. De weg is hier ook weer verhard, waar
is de uitdaging? Als ik Derby binnenfiets, een uurtje na Herman, hoef
ik me niet te af te vragen waar hij is. Ik fiets recht naar de
Woolworth (Albert Heijn) en jahoor daar zit Wigi al met z’n handen
op z’n buik te puffen. “Ik heb echt te veel gegeten!”, zegt
hij.
We blijven twee dagen
in Derby. De camping heeft een DVD speler dus onder de hete
golfplaten kijken we een aantal films, gehaald bij de lokale
videotheek. We eten pizza en ruiken nog eens aan ons Gibb eten. Aten
we dit gister nog, vraagt Herman aan Herman. Dat deden ze. Tien dagen
heeft het ons gekost de Gibb te fietsen. Veertig graden overdag, 30
’s nachts. Voedsel als drooge Noodles, kant en klare pasta met
smaak in zakjes en melkpoeder gaan zelfs bederven in deze
temperaturen. Om over de krenten in de muesli maar niet te spreken..
Verder
haal ik m’n brief van Toto bij het postkantoor op. Ze heeft het
druk, ze pakt mango’s in Kununurra. Vroeg op pad, lang werken in de
hitte, weinig geld en laat weer terug, zeven dagen in de week. En aan
de telefoon lacht ze nog steeds, wat een meid!
Over verharde
highways fietsen we de laatste 210 km naar Broome. We nemen er drie
dagen voor, lekker lui. Onderweg nog een motelkamer met airco (!!!)
omdat we overvallen worden door een hoosbui. Al die tijd in Katherine
zei Herman ach een dagje meer of minder hier maakt niks uit. Dus wel,
blijkt tijdens deze laatste etappe. Het regenseizoen is begonnen en
elke namiddag is het raak met plaatselijke stortregens. Zo zitten we
20 uur lang vast op een restarea, gelukkig met schuilmogelijkheid. Om
9am vanuit het roadhouse komen we daar aan. Het is te warm om verder
te fietsen, “vanavond fietsen we naar Broome” zeggen we. Maar ‘s
avonds regent en onweert het en moeten we blijven. Onverwacht komt er
nog een Ozzie op de restarea, en jongeman op weg naar werk in
desolate oorden. Terwijl Herman met z’n hoofd op de picknicktafel
slaapt, klets ik tot diep in de nacht met deze jongeman. Ik kan nog
net drie uurtjes slapen tot het alweer tijd is voor de laatste ruk
naar Broome, het eindpunt na acht maanden fietsen vanuit Hobart.
Het
gaat hard die ochtend. Trance muziek aan, de km paaltjes schieten
voorbij. 30, 20, 10 en we zijn er. We zijn er! Direct naar de
MacDonalds waar we grote milkshakes drinken. Ik laat een luide boer
die echood tegen het plafond. Moet er duidelijk aan wennen dat ik
niet meer in de bush ben. We blijven een week op cable beach caravan
park en doen HELEMAAL NIETS. Het is opvallend hoeveel eerder
ontmoette mensen hier zijn. Andere fietsers, expedititie leden van
wie we water hebben gekregen op de Gibb, maar ook kampeerders uit
Katherine en een stel waarmee ik een paar uur heb opgetrokken in
Mataranke Hot springs, 3 maanden en 3000 km terug. Dan op 28 oktober
vliegen we weg, terug naar de verlangde koelte. Wiecher vliegt naar
Adelaide, ik vlieg door naar Melbourne. De Grote Reis is voorbij,
maar Australie nog niet. Ik heb nog drie maanden, waarvan het
grootste deel met Toto samen. En over Toto gesproken, zij komt
vanavond (20 nov) aan op Melbourne Spencer station. Ik ga haar nu
ophalen!

De
laatste ochtend van de Grote Fietsreis Hobart - Broome
Ik vind het zalig om te weten wie dit leest. Als je helemaal hier bent, zou je een emailtje kunnen sturen?