Korea My bicycle Guestbook
|
|
Adelaide – Alice Spings
9 juni – 17 juli 2006
2500 km via de Adelaide Hills, Clar Valley, Port Augusta, de Oodnadatta track naar Marla aan de Stuart Highway, op richting het noorden via Ayers Rock naar Alice Springs
Zes weken zijn er alweer voorbij sinds Adelaide. Zes zalige fiets weken. Geen boerderij werk, geen verliefd gedrag in de grote stad, maar hard fietsen naar het noorden.
Zes weken in de bush, kamperen onder de sterren. Elke avond m’n eigen brood bakken, mensen ontmoeten en veel gestuiter over de Oodnadatta track; ruim 700 km offroad langs grote zoutmeren door het noordelijke deel van de staat zuid Australie. Hier is mijn verhaal.
Ik moet even nadenken wat ik zes weken terug toch allemaal uitgespookt heb. Ik hou niet echt een dagboek bij, veel details vergeet je dan toch. Het vorige verslag is geschreven twee dagen na het vertrek van Adelaide en Toto. Ik was toen in de Adelaide hills, de naam doet al vermoeden dat dit een heuvellandschap om Adelaide heen is. Het was prettig fietsen. Meestal wind mee en een prachtig uitzicht om me heen. De avonden waren wat minder. Om 5 uur was het al donker, en dat maakt de avond behoorlijk lang. Ik kampeerde dus zo vaak als kon naast de pub. ’s Ochtends was het moeilijk uit m’n tent komen: buiten was het vaak -2 of -3C, en dat terwijl de zomer in Nederland begon! Maar de mensen die ik onderweg tegenkwam waren fantastisch. Zo herinner ik me Booleroo Centre, waar ik in de snackbar een hamburger the-lot (met ei, bacon en rode kool!) haal. Als de eigenaars door krijgen dat ik op de fiets ben bieden ze aan ontbijt te maken voor de volgende dag. En in de pub kan ik douchen en mag ik niet voor m’n twee biertjes betalen.
Bij Booleroo begint het landschap stieken te veranderen: de groene heuvels maken plaats voor kale akkers. Langzaam aan wordt het steeds droger, het begin van de Outback! Ik fiets veel over kleine onverharde wegen en de lokale boeren stoppen vaak hun Ute (Pick-up truck) om te vragen wat deze weird looking pushbiker toch doet hier, en dat ik toch echt geen “buckleys” (kans) heb om op een “deadly treadly” (dodelijke trapper) het helemaal tot Darwin te halen. Ik bleef antwoorden dat ik niet “the worries” (problemen) zag.
Na een klein weekje fietsen kom ik in Port Augusta aan. Het is een kleine omweg voor mij, maar er is interresant museum over de outback. Een groot museum waar je wel een paar uurtjes rond kunt slenteren. Ik zie oude films over de postbode die de Oodnadatta track rijd; gelukkig is de kwaliteit van de track nu wel wat beter. Ook is Sturt er (althans een pop van hem), een van de early great explorers, met een interresant verhaal: deze meneer Sturt legde 4000 km af door de outback met een roeibooit achter zich aanslepend! Hij verwachte een groot binnenlands meer, wat er zoals we nu weten niet is.
De camping in Port Augusta heeft een vier meter hoog hek omzich heen. Om de aboriginels buiten te houden. Ik vraag me af of het niet wat overdreven is, maar veel Australiers zweren dat dat hek er toch niet voor niets staat.
In Port Augusta begint de Stuart highway. Dit is de enigste verharde weg die Adelaide met Darwin, 3000 km verderop, verbindt. Maar meer naar het oosten loopt een veel oudere en avontuurlijkere route: de Oodnadatta track. Dit is de oude route die veel Great explorers volgde omdat het de enigste route was waar onderweg water te vinden was.
Al aan de kust van Victoria had ik besloten dat ik deze route wilde fietsen. 700 km lang gehobbel en geduw door zand en over gravel vergeven van de carigation van het 4wd verkeer dat erover raast onderweg naar de Simpson desert. 700 km met onderweg drie gehuchten: Marree, William Creek en Oodnadatta zelf.
Maar zover is het nog niet. Het begin van de track is ruim 300 km van Port Augusta vandaan en daar tussen valt nog van alles te zien. Zoals de Flinders Ranges. Een prachtig gebergte begeven van de offroad tracks en wegen. Een dag lang hobbel ik over smalle voetpaden en fiets door kloven over de stenige rivierbedding, om tenslotte in Parachilna weer op het asfalt te komen. Parachilna is een dorpje aan de oude Chan railway met minder dan tien inwoners. Maar er is een pub met public showers, een goede plek om de nacht door te brengen.
De Chan Railway is de oude spoorlijn naar Alice Spings. Vanaf 1880 was het in gebruik, en de laatste trein naar Oodnadatta was in 1981. Te kort aan goed grondwater en regen maakte het leven moeilijk in deze uithoek van de wereld. Moet je voorstellen: mensen probeerde hier graan te telen! Natuurlijk was al snel duidelijk dat dit niet ging. Zelfs vee stierf van tijd tot tijd massaal door gebrek aan regen. Neerslag is er gemiddeld 150 mm, maar er zijn genoeg jaren dat er slechts 50 valt. Extreem weinig. Mensen verlieten de streek en zo werd ook de Chan railway nutteloos. Tegenwoordig loopt er een nieuwe Chan langs de Stuart Highway, een route die 130 km korter is.
De volgende dag fiets ik van Parachilna naar Leigh Creek. Daar kom ik Thomas tegen, een oude man. Hij zegt dat ik bij hem z’n tent kan opzetten. Het lijkt mij een goed idee dus ik fiets 6 km verder naar het volgende dorpje Copley en zoek z’n huis op. Daar aangekomen is Thomas niet thuis, maar z’n dochter is er wel. Ik leg uit dat Thomas me uitgenodigt heeft om m’n tent in z’n achtertuin op te zetten. Zij kijkt me me met grote ogen aan en ze snapt het niet. Als ze me de achtertuin laat zien begrijp ik waarom. Het is werkelijke een grote rotsooi. Honderden auto’s en bussen op elkaar gestapeld. Een schroothoop. En daar tussen is letterlijk een piepklein vrij stukje waar m’n tent waarschijnlijk net niet zou passen. Ik zeg dank je wel maar ga naar de camping. Een zalige camping met een groot kampvuur voor iedereen, en de eigenares Shirley maakt zelfs elke ochtend scones. Beter dan de schroothoop.
Aan het kampvuur ontmoet ik Ray, een blanke man van middelbare leeftijd die al zes jaar lang in nationale parken kampeert maar zich nou gaat settelen in het dopje Copley. Als ik met hem door de straten loop ben ik verbaast hoe kleurig hij dit dorpje kan omschrijven; je moet weten dat geheel Copley echt een grote rotsooi is. Rond slingerend afval en elke achtertuin vol met oude auto’s. Maar Ray is enthousiast. En zo zijn de tiental new-age hippies die grote plannen hebben. Er wordt een cinema gebouwt en daarna een bibliotheek voor oud-germaanse boeken.
Een andere avond aan het kampvuur praat ik met een aborginal persoon. Het is de eerste keer dat ik zo direct contact met deze mensen heb. Het is een goede man, en als hij me vertelt hoe de blanken zijn land verkracht hebben (hij gebruikte daadwerkelijk het woord verkracht) begin ik me, als blanke, bijna schludig te voelen. En bij hem, sprongen bijna te tranen in de ogen. Aangrijpend.
Vanuit Copley maak ik een uitstapje naar Arkaroola in de noordelijke Flinders ranges. 130 km over gravel en dezelfde weg weer terug. Een flinke afstand maar het is het zeker waard. In Arkaroola beginnen verschillende wandelingen over berg riggels en georganiseerde 4wd tours naar de top van puntige bergen met manjefieke uitzichten over de outback en de zoutmeren tot 90 km verderop.
Terug in Copley wacht ik vergeefs een paar dagen op m’n post wat tot dusver nog niet is aangekomen. Daarna mag het echte werk beginnen: nog 33 km asfalt en dan op de gravel en los zand voor de komende 700 km, de Oodnadatta track!
De wind staat goed en de gravel road is van goede kwaliteit zo ik haal het die dag tot Marree, 120 km verderop. Daar wordt ik aangehouden door een Hans-Zwitserland achtig typ (dat wil zeggen, een warrig geestig persoon met warrig haar). Hij reist al een paar jaar door Australie met kameel en wagen. We hebben een goede avond aan het kampvuur. Ik laat hem zien hoe je in 8 minuten een brood bakt, hij vertelt mij wat de laatste fietsers waren die hem passeerde. Zo blijkt er een Belgisch koppel op een tandem een paar weken geleden over de Oodnadatta track gekomen te zijn, en een Tassie kerel op een drie-wielige ligfiets drie dagen terug.
De volgende ochtend tank ik 13,5 liter water van de rainwater tanks, en check ik of ik inderdaad de juiste hoeveelheid proviand bij me heb:
1,5 kg muesli
2 kg zelf rijzend bakmeel
2 kg Oats
30 muesli bars
1 kg noodles
500 gram pasta
1 kg rijst
10x blik tuna
5 uien, 1 kg wortels
500 gram koffie
500 gram suiker
500 gram melk poeder
Alles is er nog, dus ik kan vertrekken voor het volgende dorp met twee inwoners William Creek, 220 km verderop. Het is geen makelijke dag: er staat een loei harde zuid-west zijwind. Gelukkig komt de wind van de goede zij en waait alle stof dat de auto’s en ja zelfs enkele road trains maken van me vandaan. Na 40 km fietsen kom ik het Grote Hondenhek tegen. Dit hek is 4000 km lang en beschermt de zuidelijke schapen van Dingo’s. Ik hou een kleine pauze maar ver kom ik die dag niet meer. Om half 6 gaat de zon onder en maak ik kamp. Kamp maken is erg zalig en een bijna dagelijkse bezigheid. In de schemer vezamel ik hout en maak ik en kampvuur, dan zet ik de tent op, tegen die tijd heeft het kampvuur een goede gloeiende aslaag om op te koken. Na de maaltijd kneed ik twee deeg ballen en bak ik m’n brood voor de volgende dag. Tegen die tijd is het meestal wel een uurtje of 9. Nog een uurtje lezen en dan hup bedje in. En dat allemaal in de Australische wildernis, met duizenden sterren boven je en de dichtsbijzijnde levende ziel een heel eind verderop. Heerlijk, maar wel een beetje eenzaam.
De volgende dag heeft de wind zich wat gedraaid. Ik heb hem nu pal tegen. Met 13 km per uur sukkel ik over de weg. Ik geniet van de manjefieke uitzichten over grote zoutmeren en ik bezoek wat oude stationnetjes. Je vraagt je toch af waarom hier, in de middel of niets, toch een treinstation nodig was. Blijkbaar was er vroeger toch wat meer.
Ik zie dingo’s en gieren, en natuurlijk weer een hoop 4wd auto’s die enthousiast zwaaien, duimen uitsteken en toeteren. Per dag komen er een stuk of 30 voobij, no worries dus mocht ik in de problemen raken.
Om uur of 2 is er een verassing voor me: er blijkt een echte oase te zijn (Coward Springs) met real palmbomen erom heen. Een heerlijke zwemplek en ideale kampeerplek. Er zijn zelfs op hout gestookte warme douches aanwezig!
Ik hang m’n ligger aan de palmboom voor die dag. De tegenwind is te sterk en de plek te fijn.
De volgende dag blijkt dat een goede beslissing te zijn geweest: de wind is 180 graden gedraaid. Met 30 km per uur op de teller en Neil young uit de luidsprekers ben ik in NO-TIME in william creek. Ahhhh tijd voor een hamburger the-lot! Dan de waterzakken hervullen en klaar voor de het volgende stuk: 205 km naar Oodnadatta.
De wind blijft uit de goede hoek waaien, en ondanks de slechte weg kwaliteit (soms moet ik afstappen en m’n fiets door het losse zand duwen) haal ik het in 3 dagen naar Oodnadatta. Ik geniet van het fietsen. Dit soort afstanden over dit soort wegen is zowel lichamelijk als geestelijk een ware uitdaging.
In Oodnadata hebben ze het roadhouse rose geschilderd. Toepasselijk heet dit roadhouse dan ook “The Pink Roadhouse”, een bekende plek voor elke Australier. Het roadhouse blijkt vol te zitten met werkende Begische en Duitse meisjes. Helemaal niet verkeerd na drie dagen in de bush. s’Avonds zijn er pannekoeken in het Pink Girls House en ik ben uitgenodigt en tot in de latere uurtjes kijken we films.
De volgende dag begint de laatste etappe van de Oodnadatta track. Weer circa 200 km naar Marla, aan de Stuart Highway. Al vrij vroeg op de eerste dag passeer ik de afslag naar de simpson desert en verdwijnt al het 4wd van de weg, zo wordt het echt rustig op de weg. Van 30 auto’s per dag naar 3. Het landschap is vlak en wat saaier en ook is er geen interessante historische spoorlijn meer. Twee dagen dom trappen door het mulle zand.
Met donker op de tweede dag na Oodnadatta kom ik op de Stuart Highway aan. En jeee wat een wereld van verschil. Er zijn mensen hier! Druk noem ik het. Een groot tankstation met mega lange Road trains (australische vrachtwagens die tot vier trailers achter zich aan kunnen hebben) en daar achter een camping, met.. meer fietsers! Het is werkelijk druk met fietsverkeer op deze enigstse noord-zuid verbinding. Ook is de drie-wielige ligfietser er. John heet hij, eindelijk heb ik hem ingehaald. Ik krijg een hamburger van hem, een prima kerel dus.
Als ik de volgende ochtend mn hoofd uit m’n tent steek is er geen spoor van John meer te vinden. Hij is al lang en breed vertrokken voor 100 km naar het noorden.
Mijn fiets heeft het zwaar te verduren gehad tijdens een afstand Arnhem naar Berlijn offroad. De bagagedrager hangt nog maar met 1 bevestigingspunt aan m’n frame. Tijd voor consequent prakiserend nadenken om tot een goede provosorische oplossing te komen. Na een uurtje hangt m’n fiets met houtstokjes(warda?), duktape en ijzerdraad van het dichtsbijzijnde verroeste hek weer aan elkaar. Ik bel m’n familie in Victoria op om m’n post naar Alice Springs te forwarden, drink wat koffie’s, eet nog een hamburger, en dan eindelijk om half 3 vertrek ik. Het motorvolk naast me op de camping, die me geholpen hebben m’n fiets te repareren, lachen me uit. Als je zo –om half 3 vertrekkend- door Australie gaat kom je nooit aan de andere kant!
Maar de stuart highway is asfalt, en de wind is weer mee, en nog belangrijker: het is volle maan. Om een uurtje of zes, op km 80, met zonsondergang vind ik een brief van John:
“Mate, 20 more K’s and look for de yellow bag and my tracks”
Ik zoef verder. Wat een luxe, dat asfalt! Ik installeer m’n lichten en reflectors. De kagaroo’s komen te voorschijn en de hemel is vuurrood. Langzaam aan wordt het steeds donkerder en ik mis bijna km 100 waar weer een briefje van John hangt:
“Bad spot for camping, fences on both sides. There is a restarea in 6 k or so, I will check it out”
Het is rustig op de weg. Er zoeven een paar road trains voorbij. Een machtig gezicht om deze kolosale machines door de nacht te zien scheuren. Ik ga van de weg en steek m’n duim op om te laten weten dat ik in orde ben.
Op 106 km is geen parking lot, en op het 110 km paaltje geen brief van John. Ik begin te vermoeden dat ik in het donker de yellow plastic bag gemist moet hebben. Maar op km paal 120 vind ik weer wat:
“Keep looking!”
Op km 126 is de restarea. Geen 6 km verderop, maar 26. John is er, net als een ander ouder echtpaar ook uit Tasmania. En natuurlijk kennen John en dit echtpaar elkaar; dat is de grap van vasteland australiers over de Tassie’s: Tasmania is zo klein dat iedereen ekaar wel kent en zelfs iedereen somehow ook familie van elkaar is. Blijkt waar te zijn. Ze wonen in Hobart slechts een blok van elkaar vandaan en hebben op dezelfde school gezeten aan de andere kan van het eiland.
Er is een kamvuur en ik krijg fruitcake met een biertje. Een goed welkom na de twee donkere uurtjes.
De volgende dagen zijn about the same maar daarom niet minder interressant. John en ik kamperen tot twee keer toe achter een roadhouse (een van de roadhouses is vol met Zweedse meisjes), en we passeren de grens tussen Zuid Australie en het Noordelijke Territoium. Het landschap verandert gestaagd, het wordt langzaam warmer dus langzaam aan ook meer vliegen die je van je af blijst slaan, en verder hou je je bezig met op het verkeer letten, terug zwaaien naar automobilisten en truckers, en kijk je in de berm wat voor interresante dingen daar allemaal liggen. In een paar dagen vind ik een mooie gloednieuwe kofie mok, twee mobiele telefoons, spiegels, fel oranje vlaggen om me nog zichtbaarder te maken voor achterop komend verkeer, en zelfs een groot bord met daarop “Train” (van Road Train), wat ik trots achterop m’n fiets span. Binnen enkele dagen sta ik op de stuart highway bekend om “The Train”. Gesprekken als “O look Jack, here is the train! We ovetook you yesterday” of “Look, here is the train, they already told you were coming” zijn aan de orde van de dag.
In Erlunda is de afslag naar Ayers rock (Uluru), de grote rode steen midden in de woestijn. Het ligt 245 km van de Stuart Highway vandaan maar ik krijg op de Erlunda camping een lift van een aardige familie. John gaat niet naar Ayers rock, dus dat betekent het einde van samen kamperen.
De fiets gaat in de kamper en oei wat een een snelheid! 110 km per uur is werkelijk ongelooflijk snel als je zes maanden lang met 25 bent gegaan. M’n zieltje houdt het niet bij en het kost me dan ook op de camping bij Ayers rock een dag om uit de war te raken.
Alleen fietsen is heerlijk, en in je eentje in de bush kamperen is ook positief goed uit te houden, maar waar ik een hekel aan heb zijn te grote plekken vol met familie’s en (zij zijn nog het ergste, al maak je je erzelf af en toe ook schuldig aan) verliefde koppels die alleen naar elkaar kijken. Ik voel me een beetje eenzaam die drie dagen bij Ayers rock. Maar het zien van deze machtige rode steen maakt een hoop goed. Sommige mensen vinden het maar een stomme steen in het midden van niks, maar het heeft iets. Het is zo groot, zo kolosaal. Het heeft een uitstraling en ik begin te begrijpen waarom deze steen voor de aboriginels sacret is. Twee halve dagen hang ik bij de steen rond, en ik maak een dag tripje naar de Olga’s: vreemde ronde gezwellen 55 km ten westen van de steen.
Op de derde dag begin ik met terug fietsen. Het is vreemd, maar het regent. In de vorige woestijn waar ik was, Utah, had het vijf jaar niet meer geregend en natuurlijk regende het toen ik er was. Hier hoorde ik verhalen dat de laatste fatsoenlijke regenperiode zes jaar terug was. En dan nu, als er een ligfietser struggled om terug op de Stuart te komen, wordt er een harde straffe oostenwind met regen aangezet. Waar heeft hij dat aan verdient?
Ik haal het net voor donker tot Curtin Springs, een roadhouse met gratis kampeer mogelijkheid. Het regent de hele nacht en de volgende dag is de straffe wind niet minder geworden. Van de buren, een lady couple uit Melourne, krijg ik een warm kop koffie en even better van andere buren een lift terug naar Erlunda waar ik weer niet de enigse fietser blijkt te zijn: een japanner op een k-mart fiets vergezeld me die avond in de pub.
Dan zijn het nog twee rilexe fietsdagen naar Alice Springs. Onderweg kampeer ik weer achter een roadhouse, in Stuarts Well en weer is er een andere tourfietser. Vrouwelijk deze keer, uit St gallen.
Halverwege de tweede dag fiets ik Alice Springs binnen. De na Darwin grootste plaats van het Noordelijk Territorium (25.000 inwoners), compleet met shopping mall en stoplichten. Dingen die ik de afgelopen vijf weken (na Port Augusta) niet meer gezien had. Ik logeer bij Angie en Greg, goede vrienden van m’n familie uit Vicoria.
Komende dagen staan in het teken van mezelf en m’n fiets op orde brengen, meer voedsel inslaan, en een UHF radio (walkie – talkie) te kopen om op channel 40 met de truckers te kunnen praten, want Darwin ligt nog steeds 1550 km verderop.